Bij het vraagstuk van het slopen of behouden van oude architectuur tegenover de mogelijkheid van nieuw bouwen komen twee problemen naar voren die het geheel bemoeilijken.

Het eerste probleem heeft te maken met de manier waarop de architectuur wordt beschouwd.
Ook in het huidige debat komt de architectuur vaak naar voren als zijnde ‘de spiegel van de maatschappij’. Deze rol zal de architectuur op veel momenten in de geschiedenis inderdaad wel vervuld hebben, en het is voor dit probleem mijns inziens ook niet noodzakelijk om aan de geldigheid van deze benaming voor de huidige tijd te twijfelen. Wél van belang is het om te kijken naar de gevolgen die het kan hebben voor de omgang met de architectuur. Door de architectuur te betitelen als ’spiegel van de maatschappij’ wordt alleen nog maar gekeken naar de functie het vervuld, en niet (meer) naar de inhoud ervan. Deze functie komt dan gelijk te staan aan het tonen van (onderdelen van) de maatschappij.
Wat is het dan, dat met name belangrijk is om te tonen aan de mensen en de buitenwereld? Doorgaans zullen dit niet de knelpunten of zwakheden waar de maatschappij mee worstelt zijn, nee, dit is de eigen kracht ende glorie; de vooruitgang. De inhoud is hierbij niet het belangrijkste punt - ook vooruitgang in de zin van ‘zich onderscheidend van vroeger’ of zelfs ‘zich onderscheidend van het nu’ wordt geaccepteerd. De trend om alles wat contrasteert met het gangbare, alles wat nieuw! en het liefst ook provocerend is, te omarmen, lijkt niet alleen in de architectuur dominant te zijn. Veel meer dan dat er een beweging is waarvan ‘vernieuwende’ architectuur een uiting is, is het de wil tot vooruitgang an sich die het beeld bepaald.

Juist doordat de nadruk zo sterk ligt op de rol die de architectuur als spiegel van de maatschappij speelt kan er hierbij nauwelijks nog oog voor de werkelijke inhoud zijn. Het tonen van de vooruitgang door het plaatsen van diep met oudbouw contrasterende, moderne werken, is alles wat er nog rest.
Het tweede probleem gaat enigszins verder op het eerste, maar komt bovenal voort uit de manier waarop het debat over het architectuurvraagstuk gevoerd wordt.
Terug in het debat: als men tegenwoordig vindt dat de architectuur, en daarmee de ontwikkeling van de maatschappij, niet aan banden gelegd mag worden, betekent dat een directe afsnoeiing van alle mogelijke vormen van kritiek op die moderne architectuur. Want met moderne architectuur predikt men immers de vooruitgang, het is de reflectie op een nieuwe samenleving en deze vooruitgang mag niet bevraagd worden. Al diegene die trachten hier aanmerkingen bij te maken worden voor conservatief of zelfs reactionair versleten. Hoe kan iemand tegen vooruitgang zijn?

Wanneer het debat dat zo op de spits gedreven wordt dat de enige vraag die nog rest de vraag is of men vóór of tegen vooruitgang is, dan is het moeilijk daar niet volmondig ´voor!´ op te antwoorden. Want vooruitgang impliceert niet alleen verdergaan, maar ook verbeteren. Daar tegenover staat dan verslechteren - en niemand bij zijn volle verstand wil verslechtering. Dit antwoorden impliceert nu ook direct kiezen vóór de moderne architectuur, aangezien beide begrippen inmiddels onlosmakelijk aan elkaar zijn verbonden.

Een dergelijk zwart-wit denken heeft lange tijd hoogtij gevierd en doet dit tegenwoordig nog steeds in bijvoorbeeld de felle retoriek zoals wij deze van enkele bestuurlijk leiders kennen - wie niet voor ons is, is tegen ons. Het stelt een duidelijk beeld met welhaast kinderlijke eenvoud. Juist dit is het probleem: deze voorstelling van de zaken doet ernstig tekort aan de werkelijke omstandigheden. In de poging alles tot een gemakkelijk te begrijpen niveau te reduceren raakt in één klap alle nuance zoek en kunnen er zelfs feitelijke onwaarheden het debat binnen worden gesmokkeld.
De twee bovengenoemde problemen vormen beide een afleiding van het werkelijke vraagstuk, wat er voor zorgt dat vele beslissingen worden genomen alleen op grond van de uiterlijkheden van het probleem in plaats van de inhoud. Pas wanneer men niet in de valkuilen van het wensdenken (architectuur zou vooruitgang moeten tonen) en alles-of-niets-denken (óf je bent vóór vooruitgang en dus voor moderne architectuur, óf tegen) valt, zal het mogelijk zijn inhoudelijk naar het probleem kijken. Pas dan kan men werkelijk spreken over wat de juiste manier van omgang met zowel oude als nieuwe architectuur zal zijn.
Column bij de lezing ‘Angst voor Nieuwbouw´
van prof. dr. W. Denslagen op 15 februari 2006Â
Studium Generale UU